Historishe werf Zorg en Vlijt

 

Zoektocht naar een authentieke trekschuit

Inleiding

De trekvaartroute tussen Delft en Maassluis/Vlaardingen is een van de mooiste en best gedocumenteerde historische vaarroutes van Zuid Holland. Wat zou er mooier zijn dan in een authentieke trekschuit door dit open landschap langs vlietlanden en boezemlandjes, langs oude gemalen en historische boerderijen te varen? Of te schutten in de Monstersche Sluis en zo de haven van Maassluis te bezoeken?

De eerste ideeën

Het idee om een trekschuit voor personenvervoer en één voor vrachtvervoer te bouwen, is ontstaan als onderdeel van het plan om in Maassluis  de historische werf ‘Zorg en Vlijt’ op te richten. Het plan was om daar schepen  te bouwen die verwijzen naar de rijke scheepsbouwhistorie van Maassluis. Door planologische belemmeringen kon het plan voor de werf niet worden uitgevoerd  en is er een andere oplossing gevonden om de schepen toch te kunnen bouwen.

De schepen moeten het mogelijk maken om – net als in het verleden – met een trekschuit van en naar Maassluis te reizen. Nu de Monstersche Sluis weer in gebruik is, kan die reis beginnen of eindigen in de haven van Maassluis waar de geschiedenis van de sleepvaart tastbaar is. Het weer in ere herstellen van de trekvaartroutes over de vaarten en vlieten tussen Maassluis, Vlaardingen en Delft is een extra reden om met historische trekschuiten te gaan varen

Historische basis.

Op de noordpunt van het Schanseiland in Maassluis was 300 jaar geleden de scheepswerf ‘Welvaren’van Leendert Hoogendam ( 1696-1743)  gevestigd..

Op deze werf werden onder andere 19 zeilende Snikschuiten voor vrachtvervoer gebouwd.

Het scheepstype snikschuit is er een waarvan historisch vast staat dat het werd gebruikt voor de trekschuit voor vracht- en personenvervoer. Technische informatie over de bouw van deze snikschuiten is door Leendert Hoogendam opgeschreven en later uitgewerkt.

In het Scheepvaartmuseum van Amsterdam worden het handschrift van Leendert Hoogendam en de uitwerking van deze notities door Leendert Jacobus Steur  bewaard.

In 1990 heeft de scheepsbouwkundige en modelbouwer J. Ploeg een rapport geschreven over de snikschuit als trekschuit voor personenvervoer. Het origineel van deze rapportage is in het bezit van het Museum Vlaardingen. Kopieën zijn in het bezit van de Historische Vereniging Maassluis en van de initiatiefnemers voor de werf  ‘Zorg en Vlijt’.

Op basis van deze rapportage en aanvullend onderzoek  wordt een reconstructie op ware grootte van een snikschuit voor vrachtvervoer gebouwd.

De te bouwen trekschuit  

Het schip  wordt gebouwd als snikschuit. De snikschuit is een scheepstype met een knikspant die in die jaren  snel en goedkoop gebouwd kon worden. Uit talloze historische afbeeldingen blijkt dat dit scheepstype als trekschuit jarenlang een bekend scheepsbeeld is geweest op Hollandse en Noordelijke trekvaarten. De trekkracht van het trekpaard en de lengte van de boeiselplanken hebben grenzen gesteld aan de afmetingen van de snikschuiten , waarvan de totale lengte waarschijnlijk nooit langer is geweest dan 12 meter.

De zeilende vrachtsnikschuiten van Leendert Hoogendam meten over de berghouten 2,69 meter. Deze breedte is ook voldoende bij de bouw van trekschuiten voor personen vervoer.

Met deze maten kunnen de Monstersche Sluis en alle bruggen worden gepasseerd

Hoofdafmetingen:

Lengte over de stevens 11,89 meter (42’-0”)

Breedte over de buitenkant van de berghouten 2,69 meter ( 9’-5½”)

Holte 1,23 meter ( 4’-4”)

Gewicht van bedrijfsklaar schip circa 6,5 ton diepgang 0,5 meter

Lading circa 10 ton

 

Het Handschrift van Leendert Hoogendam.

De historie van de werf ‘Welvaren’ in Maassluis begint met het derde huwelijk van Hendrick Leenderts Hoogendam , die aan de Hoofweg in Bleiswijk woont als hij voor de tweede maal weduwnaar is geworden en dan voor de derde maal trouwt in Bleiswijk op 12 januari 1670 met Reijsel Cornelis van Zuilen. Uit dat huwelijk worden twee kinderen geboren , Leendert op 4 januari 1671  en Trijntje op 25 november 1673. Leendert huwt voor de eerste maal in Maasland op 5 september 1695 met Leentje Pieters Goudappel die op 28 juni 1713 overlijdt. Voor de tweede keer trouwt Leendert met Pulina Kock(waeter) die hij ook overleeft. Zij wordt begraven op 30 juli 1731 in Maasland. Nog negen jaar leeft Leendert alleen voordat hij  op 31 maart 1740 , dan 69 jaar oud overlijdt. Evenals zijn twee vrouwen wordt Leendert begraven in Maasland. [i] Het is niet bekend of er kinderen uit beide huwelijken zijn voortgekomen. De stamreeks zegt daar niets over.

We weten uit het handschrift dat Leendert in 1695 een werf begint in Maassluis, op de noordpunt van het Schanseiland. De werf met de naam Welvaren. Hier bouwt hij schepen tot aan zijn dood in 1740. Van wie Leendert het vak heeft geleerd is niet bekend maar het is goed mogelijk dat Leendert ervaring heeft opgedaan aan één van de scheepswerven die Maassluis toen rijk was. Bijvoorbeeld aan de werf van Dirck Ariënsz Hoochwerff,  die één van de burgemeesters van Maassluis  was (1678-1701 met tussenpozen). Aan het einde van de zeventiende eeuw was zijn scheepswerf vermoedelijk de grootste. Dirck Jansz. Hoochwerff was een van de rijkste inwoners van Maassluis; zijn vermogen beliep 26.000 gulden. In de Groote Kerk van Maassluis bevindt zich een grafsteen van de familie Hoochwerf. Hun relatie met de scheepsbouwis zichtbaar in een schip in de spanten dat aan de bovenkant van de steen is gebeiteld. De eerste Hoochwerf werd in 1654 in dit graf bijgezet. Dirck Aertse Hoogewerff ligt niet in dit graf maar wel de vrouw van Dirck Arijensz Hoochwerf. [ii]

Leendert houdt tijdens zijn leven nauwkeurig bij wat voor schepen hij bouwt, voor wie en tegen welke prijs. Hij levert daardoor niet alleen een waardevolle, maar ook een bijzondere bijdrage  over de Maassluisse scheepsbouwactiviteiten uit het begin van de 18e eeuw.  Zijn handschrift is bewaard gebleven en bevindt zich in het Scheepvaartmuseum Amsterdam.[iii]  Leendert heeft zich laten inspireren door het handboek over de Nederlandsche Scheepsbouw, geschreven door Cornelius van Yk, dat in 1697  werd gedrukt.

Waarschijnlijk was er een exemplaar in zijn bezit. Cornelius van Yk schrijft op zijn titelpagina dat hij dit boek heeft geschreven tot nut van alle jonge bouwmeesters en knechten als ook voor de Reeders en liefhebbers van Schepen.

De titelpagina van het handschrift van Leendert Hoogendam begint op dezelfde wijze als waar Cornelis van Yk zijn boek begint.

 

De

Neder Lantse Bouw Konst

Oopengestelt

En vertoonende hoe meest

Alle Het Kleijn Zeewerck

En

Schuijtewerck gelijck Als

Dat

Van Maassluijs vaart en dat

Bij Leendert Hoogendam Zelfs

Gemaackt

En Aen Genoomme Van

Den Jaare 1696

En was Doon

Out 25 Jaarre doen Ick

Aentetelijkene Hier

Van Deet.

Na de titelpagina begint Leendert met zijn eerste aantekening; hij beschrijft een Poon die door hem in 1695 is gebouwd. Zijn laatste notitie, de 126ste, gaat over een Hoeker die hij in 1740 voor Burgemeester Arij Broer bouwt..  Waarschijnlijk is Leendert Hoogendam met het handschrift begonnen na 1730. Dat kunnen we herleiden uit notitie 16, uit 1702 waar hij eerst noteert een Prikkaar gebouwd te hebben voor 28 gulden en daarna noteert hij in het jaar 1730 nog 4 karen gebouwd voor de visserij waarvoor hij 32 gulden kreeg. Na de dood van Leendert wordt in 1756 het handschrift met 11 bladzijden vervolgd door de dan nog 15 jarige Leendert Jacobus Steur. Het zijn 23 bouwnotities die betrekking hebben op de schepen die in de jaren 1741-1743 op de werf van Leendert Hoogendam gebouwd werden. De laatste bladzijden van het handschrift gaan over bouwactiviteiten uit de jaren 1818-1828 en zijn niet voorzien van een aantekening wie deze notities hebben gemaakt.

Het handschrift vermeld systematisch het type schip, de naam van degene die opdracht heeft gegeven voor het bouwen van het schip, de hoofdafmetingen in lengte, breedte en holte. Meestal gevolgd met een eenvoudige omschrijving van de voorwaarden waaronder het schip wordt gebouwd. Tot slot wordt de prijs genoemd waarvoor het schip wordt gebouwd. In enkele gevallen zijn afmetingen  van scheepsconstructiedelen, rompvormen, rompindelingen, dekdetails en tuigagegegevens in de notities te vinden. De gegevens zijn willekeurig over de tekst verdeeld en de benamingen die Leendert gebruikt, zijn niet altijd eenduidig terug te vinden.

Leendert noteert in zijn handschrift ‘de bouw van klein zeewerck en schuitenwerk’. Het klein zeewerck zijn de vishoekers tot de jagerbootjes, het schuitenwerck zijn de visschuiten tot de bijzondere scheepjes.

49 vishoekers

1 haringhoeker

7 ijslandbootjes,

9 koopvaardijhoekers en1 prikhaalder

7 verlengde hoekers en1 uitgebroken hoeker

14 jagerbootjes, bootjes en koopvaardijbootjes

2 kleine visschuiten en 1 prikkaar

19 snikschuiten

8 poonschuiten

7 schouwen

10 bijzondere scheepjes.

 

Een totaal van 136 schepen wat voor de periode van 48 jaar (1696-1743) een gemiddelde oplevert van 2,83 schepen per jaar.

 

Onder de 136 schepen zijn 19 snikschuiten. De notities van deze snikschuiten geven een goed beeld hoe de trekschuiten rond 1700 er uit hebben gezien.

 

De rapportage van J. Ploeg scheepsbouwkundige en modelbouwer. [iv]

 

In de catalogus (1960) van de bibliotheek van het Scheepvaartmuseum is aan het handschrift toegevoegd een overzicht gemaakt door J. Ploeg uit Vlaardingen. Bij de volgnummers overgenomen uit het handschrift, staat voor wie het betreffende schip gebouwd werd, hoeveel het kostte en hoeveel pagina’s de beschrijving ervan beslaat in het handschrift. [v] Ploeg heeft vooral onderzoek gedaan naar de hoekers die door Leendert Hoogendam zijn beschreven.

Voor onze zoektocht is van belang zijn onderzoek naar de 19 snikschuiten. Een reconstructie en rapportage met als titel: ‘De snikschuit als trekschuit voor personen vervoer. Eeuwenlang een comfortabel verkeersmiddel’.

In de rapportage wordt uitvoerig ingegaan op de verschillende bronnen die zijn onderzocht , de beschrijving van Leendert Hoogendam, de bouw van een model van een trekschuit voor vrachtvervoer en één voor personenvervoer. Beide modellen zijn gebouwd door Wim Ravensbergen en zijn in het bezit van de erven van J. Ploeg. 

De eerste snik bouwt Leendert in 1697 voor de prijs van 450 gulden. Wie de opdrachtgever was, wordt niet vermeld. Zijn laatste snik bouwt Leendert in 1737 voor Cors Cornelisen Schoor, voor de  prijs van 545 gulden. Uit de beschrijving van de snikschuiten volgen de maten waarop onze authentieke trekschuit wordt gereconstrueerd.

Uit de beschrijvingen van de 19 schepen zijn de hoofdmaten gehaald om een snikschuit te kunnen bouwen.

 

Algemeen

 

Maten in Amsterdamse voeten en duimen.  1 voet komt overeen met 11 duim. Een Amsterdamse voet is 28,3 cm; een duim is 2,57 cm.

 

De lengte van de 19 schepen wordt gemeten over de stevens. Ze varieert tussen de 33 voet en 43 voet en 7 duim. Voor onze reconstructie wordt een lengte aangehouden van 42 voet = 1188,60 cm

De breedte van de schepen is niet eenduidig aangegeven. Voor de reconstructie wordt aangehouden 9,5 voet over de buitenkanten van de berghouten  = 268,9 cm

Voor de holte wordt aangehouden, gemeten van de onderkant gangboord tot de binnenkant van de bodem bij hart schip 4 voet en 4 duim = 123,5 cm.

 

Uitgangspunt is bestek 56 van Leendert Hoogendam. Hij bouwt deze snik in 1720 voor Jacob Willemse en neemt het werk aan voor 450 gulden en zilveren dukaten voor de kinderen. Hij schrijft dat hier niet veel winst op zit. Als het schip klaar is, wordt het opgemeten om nog een drietal gelijkvormige schepen te kunnen bouwen.

 

  1. Lengte over de stevens 41 voet en 4 duim = 1170, 6 cm
  2. Voorplecht heeft een lengte vanaf de voorsteven van 13 voet en 9 duim = 391,1 cm
  3. De voorplecht springt achter de klapmus neer 6 voet 9 duim = 193 cm
  4. De breedte van het schip gemeten op  berghout 8 voet en 7 duim = 244,4 cm
  5. De holte onder het gangboord 4 voet en 4 duim = 123,5 cm
  6. Het Setteboord is daar breed 8,5 duim = 21,9 cm
  7. De breedte op de kimplank aan de binnenkant gemeten 8 voet en 10,5 duim = 253,4 cm
  8. De kimplank is daar 16 duim = 41,20 cm

 

  1. Afstand tussen de plechtbint voor en de plechtbint achter 20 voet en 5,5 duim = 580,2 cm
  2. En 16,5 voet = 467 cm uit de achterkant van het voorste mastbint
  3. Daar springt de schuit van de kiel af tot boven op de klapmus achter neer 6 voet en 4 duim = 180,1 cm
  4. 12 voet = 339,6 cm uit de achtersteven dezelfde  6 voet en 4 duim = 180,1 cm
  5. Daar op het berghout aan de binnenkant gemeten een breedte 8,5 voet = 240,6 cm
  6. Het Setteboeisel aan de binnenkant 7,5 duim =19,3 cm
  7. En daar breed op zijn kimplank 8 voet 7 duim = 244,4 cm .de kimplank is daar 17 duim = 43,7 cm

 

  1. De inhoudten liggen h.o.h. 13 duim = 33,4 cm
  2. De inhoudten hebben een maat van 5 bij 4,5 duim = 12,9 bij 11,6 cm
  3. In het ruim staan aan weerszijde 5 knieën
  4. De ( sette) boeisel vallen in op de 9 duim = 23,2 cm breedte 3 duim 7,7 cm net.  ????
  5. De berghouten zijn lang 30,5 voet = 863,2 cm en dik 5 en 6,5 duim = 12,9 en 16,7 cm
  6. De achterberghout is lang 6 voet = 169,8 cm en heeft  een bocht met een straal van 15 duim = 38,6 cm
  7. De voorberghout is lang 8 voet = 226,4 cm en heeft een bocht met een straal van 17 duim 43,7 cm
  8. De voorkant van het plechtbint is7,5 voet = 212,3 cm

 

 

Maten uit het bestek van Snik 10. Deze Snik bouwt Leendert in 1697

  1. Kielbalk 5 duim bij 5 duim = 12,9 bij 12,9 cm.
  2. De voorstevens is lang 13 voet =367,9 cm , dik 5 duim =12,9 cm , onder breed 13 duim =33,4 cm en boven breed 10 duim = 25,7 cm. De steven is rondt 7 duim 18 cm. De steven valt  9,5 voet= 268,9 cm
  3. De achtersteven is lang aan de achterkant 6 voet en 6 duim = 185,2 cm dik 5 duim =12,9 cm  en is in de nebbe breed 26 duim = 38,6 cm  de steven is breed 11 duim 28,3 cm en valt 22 duim = 56,6 cm.

 

Maten uit het bestek van Snik 76. In 1727 bouwt Leendert voor Jacob van Saxssum een snikschuit net als de snikschuit van Jacob Willemse Voijs die gemaakt is in 1720. Het is zeer waarschijnlijk dat in 1727 de schuit van Jacob Willemse is opgemeten. Hij neemt het werk aan voor 450 gulden en 2 zilveren dukaten voor de kinderen.

  1. Het door L.H. genoemde boeisel is de bovenste plank van het scheepsboord en aldus vormbepalend voor de zeeglijn van het schip. De dikte van deze plank blijkt 2,5 duim te zijn= 6,4 cm (snik 56 & snik 76)

 

Maten uit het bestek van Snik 75. In 1728 neemt Leendert de bouw aan voor een snikschuit voor Cornelius Heijnderijcksen. Ook deze snikschuit is gebouwd naar het ontwerp van snikschuit 56.

  1. De plankbreedte in het midden in de midden 19 duim = 48,9 cm . aan het einde bij de stevens is het boeisel 6 duim = 15,4 cm breed

 

Maten uit het bestek van Snik 49. In 1718 bouwt Leendert een snikschuit voor Arij Brouwer uit Maasland.

  1. Wegering tussen kimweger en bandweger van wagenschot 1 duim = 2,6 cm

 

De maten zijn weergegeven op een tweetal tekeningen die als voetnoot zijn bijgevoegd. [vi]

 

 

De maten die de basis vromen voor de reconstructie zijn voornamelijk gebaseerd op de beschrijving van Snikschuit  56.

Snikschuit 75 is gebouwd naar het ontwerp van snikschuit 72 en snikschuit 56.

Snikschuit 76 is gebouwd naar het ontwerp van snikschuit 56 .

Snikschuit 77 is gebouwd naar het ontwerp van snikschuit 56

 

Onze reconstructie wordt dan ook het schip wat Leendert in 1720 bouwde voor Jacob Willemse Voijs.

(Aan de naam Jacob Willemse is in de volgende  beschrijvingen snik 75,76 en 77 de naam,  Voijs toegevoegd.)

 

 

Beschrijving van de hoofdonderdelen

 

De rapportage  geeft op blz. 84 een overzicht  van de snikschuitnotities. Vanaf blz. 85 tot en met blz. 100 wordt een overzicht gegeven van de verschillende onderdelen om een basis te hebben voor de reconstructietekeningen. Het overzicht is verdeeld in verschillende hoofdstukken en gaat gedetailleerd in op de hoofdafmetingen, kielbalk, voorsteven, achtersteven, bodemplanken, vloerliggers, kimplanken, berghout, boeghouten, dek omtrek, boorden, gangboord, knieën, buikdenning, wegering, grootspant, voorplecht, vooronder, achterplecht, achteronder, stuurkoop roef en roer. Om te eindigen met de dwarsdoorsnede en lijnenplan.

Dit alles biedt voldoende informatie om een snikschuit te reconstrueren.

In opdracht wordt door Wim Ravensbergen een model van een snikschuit gebouwd voor vrachtvervoer en een model van een snikschuit voor personenvervoer.

 

De afwijkingen

 

Uit de rapportage blijkt dat bij de uitwerking van de hoofdmaten, zoals beschreven in de rapportage, op een aantal plaatsen wordt afgeweken. Daardoor ontstaat er een reconstructiemodel  dat een aantal vragen oproept.

In de beschrijving van snik 56 staat vermeld en dat het ‘glad werck’ was. Ondanks deze vermelding wordt het reconstructiemodel overnaads gebouwd. In de rapportage is geen vermelding te vinden waarom hiervan wordt afgeweken.

De door ons te bouwen reconstructie zal dan ook niet overnaads gebouwd worden maar glad, zodat de huidgangen op elkaar aansluiten.

De tweede afwijking van de beschreven hoofdmaten gaat over de kimplanken. De rapportage vermeldt hierover:

Aansluitend tegen de zijkanten van de bodemplanken ligt een schuin omhoog staande kimplank, die bij snik 49 , 22” breed zou zijn; hoe schuin de kimplank  t.o.v. de bodemplank staat wordt niet vermeld.

Bij snik 56 wordt de bodembreedte over de kimplanken opgegeven en de breedte van de kimplanken ( 16” en 17”) aldaar genoteerd. De breedte maat is op twee plaatsen gemeten, vóór op de achterkant van de mastbalk die 13’-9” ( lengte voorplecht) uit de voorkant van de steven ligt, en achter op 12”-0” uit de achterkant van de achtersteven. Merkwaardig is dat hier de gegeven breedte groter is dan de scheepsbreedte ter hoogte van de berghouten. Dat kan dus niet. Ik neem aan dat er een schrijffout gemaakt is en gebruik voor mijn reconstructie tekening 2”-0” kortere afstanden. ( 6’-5  ½ ” i.p.v. 8’-5 ½”  en 6’-10 ½”  i.p.v. 8”-10 ½ “ ).

 

Tot zover de rapportage

 

Waarom de breedte ter hoogte van de kimplanken niet groter zou kunnen zijn dan de breedte gemeten over de berghouten, wordt niet beargumenteerd. Vermoedelijk omdat er geen tekeningen of afbeeldingen  beschikbaar waren die een vorm lieten zien die zou kunnen aansluiten op de opgegeven maten.

Door deze aanname ontstaat er een scheepsvorm die hoekig is en twijfel oproept.

In het verloop van ons onderzoek hebben we een drietal tekeningen gevonden waarvan de doorsneden een vorm vertonen die aansluiten op de opgegeven maten uit het handschrift van Leendert Hoogendam.

Een originele ontwerptekening van een trekschuit uit de late 18e eeuw ontvingen we van Ab Hoving. De vorm op diverse afbeeldingen sluit aan op de maten uit het handschrift. De tekening bevat een variant: Een Trek Volkschuit en een jaag Dak schuit. In beide gevallen is de spantvorm rond en niet hoekig .

 

 

Twee tekeningen uit het Maritiem museum te Rotterdam. Een tekening uit 1740 en een tekening uit 1770.

Ook op deze tekeningen is duidelijk een ronde spantvorm te herkennen en geen hoekige.

Tekening uit 1740 archief Maritiem museum Rotterdam

 

tekening uit 1770 archief Maritiem museum Rotterdam

Op grond van deze tekeningen en de beschrijving uit het handschrift van Leendert Hoogendam zal de spantvorm van onze reconstructie rond zijn en niet hoekig zoals de modellen gebouwd zijn.

 

[i]

STAMREEKS HOOGENDAM
(Van Vlaardingen tot Nieuwerkerk aan den IJssel)

door J. Heemskerk en Mevr. Drs. P.M. Stoppelenburg  Eerder gepubliceerd in ‘Hollandse Stam- en Naamreeksen II’ (Delft/Rotterdam 1990), een uitgave van de Genealogische Vereniging Prometheus en
de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie ‘Ons Voorgeslacht’

 

[ii]

Vier eeuwen Scheepsbouw in Maassluis Een Overzicht

Dick van Wassenaar & Rinus van de Ree

 

[iii]

Het Scheepvaartmuseum bestekmanuscript  inventarisnummer S.1602. De Nederlantse Bouwkonst  oopengestelt En Vertoonnende hoe meest Alle het kleijn Zeewerck en Schuitwerck …….

[iv] De snikschuit als trekschuit voor personenvervoer. Reconstructie en rapportage door J ploeg scheepsbouwkundige en modelbouwer . uitgegeven in eigen beheer. Beperkt aantal exemplaren .

[v]zie het bestekmanuscript  signatuur Hs-1438 inventarisnummer S.1602

 

 

 

 

 

 

 

 

[vi]